Score

Skip Navigation LinksBegrippenlijst

A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z
  
Beschrijving
  
  
  • Vormt het laatste toetsmoment van je opleiding.
  • Er wordt van je verwacht dat je zelfstandig een voor het beroep relevante vraag kunt formuleren en beantwoorden.
  • Door de manier waarop je de opdracht of het onderzoek opzet, uitvoert en evalueert laat je zien dat je over de beroepscompetenties van de professional beschikt.
  •    Zie ook toetsvorm Afstudeeropdracht
A
  
  • Hier komt de tekst
A
  

Omschrijving in concrete en operationele termen van wat je aan het eind van een onderwijsleerperiode moet kunnen.

A
  
  • Ontleden, essentiële elementen kunnen identificeren, het kunnen onderscheiden van hoofs- en bijzaken, verbanden kunnen zien en hieruit conclusies kunnen trekken.
  • Als het analytisch vermogen getoetst wordt, kijkt men in de regel naar de mate waarin je essenties zoals achterliggende motieven, oorzaken en vooronderstellingen op het spoor komt. Ook of je de relaties tussen die essenties kunt beschrijven in duidelijke, concrete en specifieke bewoordingen

A
  
  • Het multidimensioneel beoordelen van je competentieniveau.
  • Met multidimensioneel wordt bedoeld, dat meerdere instrumenten worden gebruikt en vanuit verschillende perspectieven wordt beoordeeld.
  • Bovenstaande is de definitie zoals die binnen de HvA wordt gehanteerd. |
Rapport Kok: Toets waarin de mate wordt beoordeeld waarin je bepaalde competenties op een bepaald niveau beheerst.

A
  

 ·         Gekwalificeerd examinator die een beargumenteerd oordeel geeft over je verworven competenties en feedback geeft voor je verdere ontwikkeling
·         Assessor werkt volgens een vaste methode en procedure.
·         Assessoren hebben een specifieke scholing gevolgd

A
  
Staat voor echtheid. Is belangrijk omdat bij toetsing in toenemende mate waarde wordt gehecht aan verschillende dimensies van authenticiteit:
  • De toets zelf is gebaseerd op echt, authentiek materiaal (b.v. bij de casustoets)
  • Het toetsproduct is echt, is afkomstig van degene die het gemaakt heeft (b.v. bij de portfolio).
  • De toets wordt afgenomen in een authentieke context (op locatie) d.i. een situatie die lijkt op de beroepspraktijk.

A
  

• De vaststelling door een examinator in welke mate de student of extraneus heeft voldaan aan de eisen die voor een bepaalde onderwijseenheid of onderdeel daarvan zijn geformuleerd (OER).
• Om na te gaan of je de beoogde leeruitkomsten beheerst, wordt je prestatie gescoord ten opzicht van een standaard
• Op basis hiervan wordt beoordeeld of het leerresultaat voldoende is
• Dit wordt uitgedrukt in een cijfer
• Naast een cijfer ontvang je constructieve feedback

B
  
  • Is een toets die zo is geconstrueerd dat beoordeeld kan worden of je specifieke beroepsvaardigheden correct, compleet en efficiënt kan toepassen.
  • Zie ook toetsvorm Vaardigheidstoets
B
  
  • Vraag van het werkveld over specifieke problemen of dilemma`s van professionals bij de uitoefening van het beroep. Een beroepsvraagstuk heeft een onderzoekscomponent in zich: door het vraagstuk op te lossen c.q. hanteerbaar te maken wordt de body of knowledge vergroot.
  • Zie ook toetsvorm Projectopdracht en Afstudeeropdracht 

B
  

Met aandacht lezen, de betekenis van iets (een tekst, een beeld, een situatie, enzovoorts) willen doorgronden.

B
  

    • De beoordelingscriteria en - norm zijn expliciet gemaakt en de norm en cesuur helder
    • De examinatoren werken volgens het principe van interbeoordelaarbetrouwbaarheid: verschillende examinatoren komen tot een gelijkwaardig oordeel
    • De omstandigheden waaronder de toets wordt afgenomen zijn voor alle studenten gelijk
B
  
  • Het advies dat iedere student aan het eind van de propedeuse krijgt vanuit de opleiding over het al dan niet voortzetten van de studie.
  • Zie verder de onderwijs & examenregeling (OER).

B
  
Het terrein waaraan een beroepsgroep haar kennis, inzichten, methodische invalshoeken ontleent. Dit kennisdomein kan meerdere (wetenschappelijke) disciplines (vakgebieden) beslaan - maar bestaat ook uit de vastgelegde ervaringen van een beroepsgroep.
Voorbeelden:
  • Tot de body of knowledge van de CMV'er behoort agologie, (leer)psychologie, vrijetijdswetenschappen, overheidsbeleid, verschillende methoden opbouwwerk enz.
  • Tot de body of knowledge van de civiel ingenieur behoort toegepaste mechanica, bouwtechniek, architectuur/stedenbouwkunde, bouwplaatsmanagement, bouwmeten enz.

B
  
  • Is gericht op het toetsen van de mate waarin je in staat bent tot het toepassen van kennis, het tonen van inzicht en het niveau waarop je kan analyseren en synthetiseren.
  • De casustoets kan worden gebruikt in bijvoorbeeld PGO (probleemgestuurd onderwijs), waarbij je leert om kennis te relateren aan beschreven praktijksituaties.
  • Zie ook toetsvorm Casustoets
C
  
  • Specifieke aanduiding van de samenwerkingsvorm tussen opleiding en de beroepspraktijk. Doel van de co-makerships: werken aan vragen en opdrachten van een bedrijf (comaker) op zo`n manier dat je producerend leert en in de reallife situatie je competenties ontwikkelt. Het begrip co-maker wordt niet op alle opleidingen gebruikt.
  • Zie ook toetsvorm Projectopdracht
C
  
De HvA-definitie van een competentie luidt:
Een integraal van kennis, vaardigheden en houding die een persoon binnen een beroeps- of wetenschappelijke context adequaat weet in te zetten.

  • Competenties zijn leer- en ontwikkelbaar. Voor een succesvolle hbo-carrière moet je op hbo-niveau functioneren en heb je persoonlijke eigenschappen nodig als geloof in eigen kunnen, creativiteit en passie, incasseringsvermogen, sensitiviteit en inzet.
  • Competenties hebben alleen betekenis in specifieke beroepssituaties.
  • Competenties hebben altijd betrekking op handelingen die door een beroepsbeoefenaar worden uitgevoerd. Dat gebeurt vanuit een bepaalde beroepsrol (adviseur, ontwerper, behandelaar).

C
  

Verzameling van alle competenties die met elkaar gezichtsbepalend zijn voor een opleiding, een bedrijf of instelling.

C
  
  • Halfgestructureerd beoordelingsgesprek over je competenties, gekoppeld aan situatie(s) waarin je jouw competenties hebt laten zien.
  • Het gesprek vormt de laatste stap in de procedure om te komen tot een beoordeling van competenties.
  • Zie ook toetsvorm Criteriumgericht interview
C
  

• Is vooral bedoeld als evaluatie-instrument vast te stellen hoe ver je op een bepaald moment bent ten opzichte van een einddoel
• Op basis van de toetsresultaten kan je zien wat je nog moet leren om het einddoel te bereiken.
• Zie ook Formatieve toets

D
  
Omschrijving van noodzakelijke vakspecialistische kennis en vaardigheden waarover je na een bepaalde periode moet beschikken. Voorbeelden hiervan zijn:
  • Een databaseontwerp kunnen opzetten.
  • Alle stappen van projectmatig werken aantoonbaar kunnen zetten.
  • Over bepaalde anatomische kennis beschikken.

D
  
  • Toetsing gericht op de beoordeling van welomschreven kennis of bepaalde vaardigheden. De toets vormt meestal het sluitstuk van een onderwijs- of instructieperiode waarin bepaalde leerstof is behandeld of bepaalde vaardigheden zijn getraind.
  • Zie ook Discrete leerdoelen
D
  
  • Afsluitend gesprek. Meestal het laatste gesprek na een project, stageperiode of aan het eind van een opleidingstraject.
  • Zie ook toetsvorm Portfolio assessment en Afstudeeropdracht
E
  
  • Toets op het niveau van toepassen, analyseren, conclusies trekken en argumenteren.
  • Je krijgt één of meer open vragen voorgelegd die je (meer of minder) uitvoerig moet beantwoorden.
  • De beoordeling van een essay gebeurt aan de hand van vooraf vastgestelde normen en antwoordmodellen.
  • Zie ook Essaytoets
E
  
  • De waardebepaling, het belang en / of de betekenis van iets (in)schatten.
  • Voor beroepskrachten heeft evalueren vaak de invulling van: terugkijken en nagaan of de verwachting die men van tevoren had ook overeenkomt met de feitelijke gang van zaken. Wat ging er wel en niet goed en waar had dat mee te maken.

E
  

• EVC staat voor Extern (of elders) Verworven Competenties.
• EVC-procedures worden toegepast om na te gaan of mensen met een bepaalde opleiding en werkervaring maar nog zonder het juiste diploma op een snellere manier en meer op maat kunnen studeren. Aspirant studenten moeten bewijzen dat zij al over bepaalde beroepscompetenties beschikken. Een beoordelingscommissie bekijkt het bewijsmateriaal, voert gesprekken met de aspirant studenten en onderzoekt welke mogelijkheden je hebt om gericht te studeren.
• Zie ook toetsvorm Intaketoets en www.hva.nl/evc/

E
  
  • Een opdracht die wordt verstrekt door een instelling of organisatie en daar ook door de studenten wordt uitgevoerd. De opdracht wordt meestal uitgevoerd in een projectgroep van meerdere studenten. Sommige opleidingen stimuleren dat een projectgroep bestaat uit studenten van verschillende opleidingen. De opdracht wordt uitgewerkt in een eindproduct en een presentatie hiervan vindt plaats in de instelling of organisatie.
  • Zie ook toetsvorm Projectopdracht
E
  
  • Een instrument waarmee je feedback verzamelt van meerdere beoordelaars bijvoorbeeld van je docent of begeleider, van een medestudent en een opdrachtgever uit het werkveld. Als het aantal beoordelaars niet uit drie maar uit twee personen bestaat, wordt ook wel gesproken van 180º feedback.
  • Een van de belangrijkste oogmerken van het instrument is om mensen te confronteren en bewust te maken hoe zij in de ogen van anderen in en buiten de organisatie functioneren, en te laten zien wat daarin hun sterkten en zwakten zijn.
  • Zie ook toetsvorm Reflectieopdracht
F
  
  • Is vooral bedoeld als evaluatie-instrument om te kunnen bekijken hoe ver iemand op een bepaald moment is.
  • Op basis van de toetsresultaten kan je zien wat er nog moet gebeuren om het einddoel te bereiken.
  • Zie ook toetsvorm Diagnostische toets
  • F
      
    • Opdrachten waar je met andere studenten in groepen producten maken. Niet alleen het product maar ook of juist het proces om tot een product te komen is onderdeel van de beoordeling.
    • Belangrijke aandachtspunten bij groepsopdrachten:
      - Welke afspraken maakt een groep om tot resultaat te komen.
      - Wat is ieders eigen aandeel in het totale werkproces.
      - Welke mogelijkheden hebben de individuele groepsleden om hun persoonlijke leerdoelen te realiseren binnen het werken aan de groepsopdracht.

    G
      
    • Toets die zo is opgezet dat alle uit te voeren handelingen kunnen worden geobserveerd en beoordeeld.
    • Zie ook toetsvorm Vaardigheidstoets
    H
      
    • Onderdeel van een intakeprocedure. Het assessment wordt gevormd door de praktijkopdracht waarin je ter plekke laat zien wat je kan. Je verrichtingen worden voor- en nagesproken met de assessoren.
    • Zie ook toetsvorm Intaketoets
    I
      
    • Gericht op het toetsen van de mate waarin kennis-, vaardigheids- en houdingsaspecten van competenties (bij de start van een opleiding) die aanwezig zijn of nog ontbreken.
    • De instaptoets kan zowel een diagnostische als een selecterende doelstelling hebben.
    • In beide gevallen levert de intaketoets feedback aan jezelf en / of informatie aan de opleiding over je startniveau.
    • Zie ook toetsvorm Intaktetoets
    I
      

    Toetsing gericht op de beoordeling van de wijze waarop je er in slaagt om kennis, inzichten, houding en vaardigheden te integreren, met het effect dat je in een bepaalde situatie adequaat handelt

    I
      
    • Onderwijsvorm waarin je met andere studenten onderling reflecteert op je professionele ontwikkeling. Aandachtspunten hierbij zijn:
      - Analyse van praktijksituaties.
      - Explicitering van eigen taken, verantwoordelijkheden, dilemma`s.
      - Bewustwording van keuzes die je maakt.
    • Zie ook toetsvorm Reflectieopdracht
    I
      
    • Een zeer grote (digitale) verzameling vragen die voor een bepaalde toets kunnen worden geselecteerd en gebruikt.
    • Hiervan wordt vaak gebruik gemaakt bij de Voortgangstoets
    I
      
    • Is gericht op het toetsen van de mate waarin je bepaalde kennis hebt verworven.
    • Het gaat hier om discrete leerdoelen in de vorm van begrips- of feitenkennis (herkenning en reproductie).
    • De kennistoets kan zowel losstaand zijn, als een onderdeel vormen van een meeromvattende toets; kan formatief en  summatief van aard zijn.
    • Zie ook toetsvorm Kennistoets
    K
      
    Leerdoelen geven aan wat je in een bepaalde periode wilt bereiken. Een goed geformuleerd leerdoel voldoet aan de volgende eisen:
    • Als het gaat om welk gedrag je moet kunnen vertonen, dan is dat beschreven in observeerbare activiteiten.
    • Als het gaat om welke kennis, inzichten of vaardigheden je verworven moet hebben, dan is dat zo concreet mogelijk benoemd.

    L
      
    • De bewijsstukken die je in een bepaalde opleidingsperiode hebt verzameld. Het leerdossier kan bestaan uit: feedback van collega`s, opdrachtgevers, docenten, verslagen, producten waar je zeer trots op bent, reflectieverslagen enzovoort.
    • Zie ook toetsvorm Portfolio assessment
    L
      
    • Aanduiding voor het maken van een belangrijk product, een eindproduct waarmee je bewijst dat je een professioneel werk- en denkniveau hebt bereikt.
    • Zie ook beschrijving toetsvorm Afstudeeropdracht
    M
      
    • Als individu meedrijven op de groepsresultaten zonder daar zelf inspanningen voor te verrichten.
    • Zie ook het Meeliftersprotocol
    M
      

    Een methode die je helpt de theorie die je moet leren te visualiseren en in schema te brengen. Op internet zijn gratis demoversies van mindmap software te vinden.

    M
      

    De uitoefening van voortgangscontrole op een (werk/studie)proces. Tijdig kunnen signaleren waar afwijkingen van de plannen optreden

    M
      
    • De Overall Toets is een specifieke vorm van casustoets, gericht op het toetsen van de mate waarin je in staat bent tot het toepassen van kennis, maar dan in nieuwe situaties, binnen de HvA met name gekoppeld aan projectonderwijs.
    • Beoordeling van een project gebeurt vaak aan de hand van het door de groep opgeleverd product en het procesverslag. In de OAT wordt de mate getoetst waarin je individueel in staat bent de in het project opgebouwde kennis ook in andere situaties toe te passen (wendbaarheid of transfer).
    • Zie ook toetsvorm OAT en Casustoets
    O
      

    Is bedoeld om je onderling de gelegenheid te bieden om feedback te geven op elkaars producten, prestaties en het proces. Door elkaar zo te beoordelen, ontwikkel je de vaardigheid om met beoordelingscriteira om te gaan en je daarover te verantwoorden. De opleidingen hebben vaak bepaalde regels en procedures voor peer assessments ontwikkeld, die vooraf bekend worden gemaakt.

    P
      
    • Meten van de vaardigheid in het toepassen van aanwezige kennis, procedures en dergelijke. Assessoren observeren en scoren.
    • Zie ook toetsvorm Gedragsassessment
    P
      
    • Een (al dan niet digitaal) document waarin je jouw eigen ontwikkelplannen formuleert. Je houdt je vorderingen bij en geeft aan waar je de komende periode aan wilt werken.
    • Een POP wordt vaak gebruikt bij voortgangsgesprekken met een studieloopbaanbegeleider of bij functioneringsgesprekken met een projectbegeleider.

    P
      
    • Is een opdracht die de kern van het probleemgestuurd onderwijs vormt. De opdracht is in de regel een casus die een probleem, situatie of gebeurtenis beschrijft vanuit de werkelijke context en is geconstrueerd vanuit leerdoelen. Je lost de casus op door de zevensprong toe te passen.
    • Zie ook toetsvorm Casustoets
    P
      

    Geeft aan waar aan gewerkt gaat worden door een individu of groep, hoe er gewerkt gaat worden, wie betrokkenen zijn, wat iedere betrokkene bij zal dragen aan het geheel, welke randvoorwaarden en kwaliteitscriteria belangrijk zijn en waar gewerkt wordt. Het plan van aanpak vormt in de regel de start voor het werken aan een projectopdracht.

    P
      
    • In het (digitaal) portfolio worden de door jou ontwikkelde producten/documenten verzameld en gerelateerd aan de voor het beroep vereiste competenties.
    • Het portfolio kan worden gebruikt als bewijs voor bereikte competenties. Daarnaast is het ook geschikt om je eigen ontwikkeling te plannen, te volgen en daarop te reflecteren. De derde functie is de showcase, waarin je het beste van jezelf laat zien.
    • Bewijzen en ontwikkelen worden getoetst met het Portfolio assessment. De showcase gebruik je voor sollicitaties e.d.
    • Het portfolio kan zowel worden ingezet bij SLB (begeleiden bij vullen en voorbereiding portfolio assessment) als bij integratieve beoordelingsmomenten.

    P
      
    • Toets waarbij je aantoont een bepaald competentieniveau te hebben behaald aan de hand van bewijzen uit je portfolio.
    • En/of toets waarin je jouw competentieontwikkeling laat zien.
    • Zie ook toetsvorm Portfolio assessment
    P
      
    • Is een opdracht die zo geconstrueerd is dat het mogelijk is om de vaardigheden die in het voorafgaande practicum zijn geoefend, te toetsen en te beoordelen.
    • Zie ook toetsvorm Vaardigheidstoets
    P
      
    • Begeleider op de werkvloer bij de stage- en praktijkopdracht, vaak een directe collega of leidinggevende.
    • Begeleidt je op je stageplek en beoordeelt je functioneren tijdens je stage.

    P
      
    • Is een zo precies mogelijke omschrijving van wat in die situatie, in die context het probleem nu eigenlijk is.
    • Het hoort thuis in het rijtje: probleemoriëntatie, probleemdefinitie, probleemaanpak/ probleemoplossing

    P
      

    Zie Projectmatig werken​

    P
      
    • Is gericht op het expliciteren van achter- en onderliggende werk- en denkprocessen die nodig waren om tot een (professioneel) product te komen.
    • Zie ook toetsvorm Reflectieopdracht
    P
      
    • De houding die de professional typeert, die past bij de beroepsuitoefening.
    • Denk daarbij bijvoorbeeld aan: dienstverlenend zijn, afspraken nakomen, rustig blijven bij calamiteiten en niet je hoofd verliezen, betrokkenheid tonen bij een bepaalde situatie maar toch ook afstand kunnen houden.

    P
      

    Iedere beroepsgroep heeft opvattingen over wat goed/juist/waar is. Die opvattingen zijn vaak vastgelegd. Maar ze leven ook door in de waarden en normen van een beroepsgroep.​

    P
      
    Doelgericht en systematisch volgens een aantal stappen werken aan de oplossing van een probleem. In algemeen zin zijn de volgende stappen te onderscheiden:
    • Probleemoriëntatie
    • Analyse van de achtergronden van het probleem
    • Probleemdefinitie
    • Doelen formuleren
    • Plan van aanpak maken
    • Plan van aanpak uitvoeren
    • Controleren en beoordelen
    • Evalueren

    P
      
    • Is gericht op de wijze waarop je een beroepsprobleem of vraag oplost met gebruikmaking van de 'juiste' kennis, vaardigheden en inzichten.
    • De projectopdracht is gebaseerd op vragen vanuit het werkveld. Door de opdracht adequaat uit te voeren laat je zien dat je kennis-, vaardigheids- en houdingsaspecten kan integreren in professionele situaties.
    • Door de projectopdracht uit te voeren verwerf je bepaalde beroepscompetenties
    • Zie ook toetsvorm Projectopdracht
    P
    1 - 60Volgende