Aanmelden

5.0. Kennistoets met gesloten toetsvragen

5.1. Waarom deze module

  • Veel tentamens in de eerste jaren van de HvA-opleidingen zijn kennistoetsen.
  • Los van de toetsvragen die aan de student worden voorgelegd, zijn een aantal aandachtspunten en middelen noodzakelijk voor een goede kennistoets.
  • Kennistoetsen zijn bedoeld om de cognitieve niveaus ‘onthouden’ en ‘begrijpen’ te toetsen.
  • Het opstellen van gesloten toetsvragen begint met een vraag en het juiste antwoord.
  • Bij het opstellen van de toetsvraag is aandacht voor duidelijkheid zeer belangrijk.
  • Een meerkeuzevraag heeft weinig waarde als de afleiders (de foute alternatieven) niet voldoende doordacht zijn.

5.2. Beoogde leeropbrengsten

  • Kunnen aangeven welke soort vragen passen bij cognitieve niveaus in leeropbrengsten
  • Toetsvragen kunnen formuleren die de inhoud van de onderwijseenheid dekken.
  • Toetsvragen kunnen formuleren die eenduidig zijn.
  • Toetsvragen kunnen formuleren die zijn afgestemd op de doelgroep.
  • Kunnen beoordelen of toetsvragen eenduidig geformuleerd zijn
  • Kunnen beoordelen of toetsvragen zijn afgestemd op de doelgroep

5.3. Kennisclip

5.4. Vorm en toepassing kennistentamen

Een kennistentamen is een toets met vragen over beroepsgerichte, theoretische en/of vakgerichte kennis. Het tentamen wordt vaak ter afsluiting van een bepaald studieonderdeel in een studieperiode gegeven. We meten dan of een student op een bepaald moment in een bepaald tijdsbestek de vereiste beroepskennis, theoretische en/of vakgerichte kennis beheerst.

Bij het opstellen van een kennistoets maken we keuzes over de te toetsen kennis. Je maakt beredeneerde keuzes om een betrouwbare, heldere en geldige (valide) toets op te stellen. Een kennistoets is (als het goed is) gericht op de cognitieve niveaus ‘onthouden’, ‘begrijpen’ en (in minder mate) ‘toepassen’. Hogere cognitieve niveaus toetsen we meestal met andere toetsvormen (bijv. een casustoets of assessment).

De kennistoets kan verschillende vormen hebben, die met elkaar kunnen worden gecombineerd: Open toetsvragen, gesloten toetsvragen (2, 3 of 4 antwoordmogelijkheden), half-open toetsvragen (de student vult het antwoord aan).

De kennistoets kan verschillende vormen hebben, die met elkaar kunnen worden gecombineerd: Open toetsvragen, gesloten toetsvragen (2, 3 of 4 antwoordmogelijkheden), half-open toetsvragen (de student vult het antwoord aan).

Kennistoetsen worden op papier of digitaal afgenomen. Soms is mondelinge afname aangewezen. Bij mondelinge afname is het moeilijker om de toetsafname eerlijk en betrouwbaar te laten verlopen.

In toenemende mate worden toetsen digitaal afgenomen. Ten opzichte van papieren afname gelden er een aantal voordelen. Computer-ondersteunde afname vergemakkelijkt het afnemen van kennistentamens met gesloten vraagvormen doordat het nakijken en analyseren veel sneller gaat. Kennistentamens met open toetsvormen die zijn gemaakt op de computer, zijn altijd leesbaar (geen handschriftproblemen) en geven de student de mogelijkheid om in de antwoordtekst aanpassingen te doen. Anderzijds moet voor digitaal afnemen van toetsen veel worden geregeld qua faciliteiten en bijvoorbeeld beveiliging.

Een goede toets staat of valt bij de beschikbaarheid van goede toetsvragen (in een itembank). Dat vraagt organisatie en een stevige tijdsbesteding van (inhoud en toets)experts.

5.5. Hoe wordt deze toets gemaakt?

Een kennistentamen wordt opgesteld vanuit de toetsmatrijs. Dat is de aangewezen manier om te zorgen dat de gekozen toetsvragen overeenkomen met de beoogde leeropbrengst. Dat geldt twee kanten op: Elke beoogde toets-opbrengst in de toets moet terugkomen, en elke vraag in de toets toetst een beoogde leeropbrengst. Het selecteren van vragen is makkelijker als er een itembank beschikbaar is. Wanneer een itembank wordt opgezet is het goed mogelijk te selecteren op valide en relevante vragen. voorwaarde daarvoor is dat de toetsvragen zijn gekoppeld aan de toetsmatrijs (dus dat zichbaar is bij welke leeropbrengst en leerniveau ze horen). Het ontwikkelen van met name meerkeuze vragen voor kennistoetsen is een zeer tijdrovende zaak en vereist specifieke deskundigheid. Zorg voor duidelijke en heldere instructies voor de student en geef aan welke hulpmiddelen mogen worden gebruikt. Hanteer bij elk toets-product het vier-ogen-principe: elke toetsvraag, cesuur, instructie voor de student laat je lezen door tenminste 1 collega. De ervaring leert dat toetsproducten die niet zijn gecheckt door een collega vaak onduidelijkheden of onjuistheden bevatten. Het is aan te bevelen om bij constructie van de kennistoets ook alvast de herkansingstoets op te stellen en ook hierop de collegiale check te laten doen. Kennistoetsen met grotendeels gesloten vragen zijn minder geschikt om te beoordelen of studenten kennis kunnen toe te passen of zelf bij te dragen aan kennisontwikkeling. De kennistoets (zoals de naam al zegt) is beperkt bruikbaar voor hogere orde vaardigheden.

5.6. Vorm en toepassing gesloten toetsvragen

Gesloten toetsvragen zijn vragen waarbij de mogelijke antwoorden op de vraag gegeven worden en de student een keuze moet maken uit de antwoordmogelijkheden. Een variatie hierop is dat de student gegeven opties matcht, rangschikt etc. Sommigen rekenen ook toetsvragen waar een kort antwoord wordt gevraagd tot de gesloten toetsvragen. Beoogde leeropbrengsten waarin de cognitieve niveaus ‘onthouden’ en ‘kennen’ zijn gebruikt kan je vormen tot een gesloten toetsvraag. Er zijn een uitzonderingen op deze regel: het toepassen van een grammaticaregel of een wiskundige vraag is zodanig exact dat ook het niveau ‘toepassen’ kan worden getoetst. Hogere cognitieve niveaus toetsen met gesloten vragen vraagt heel specifieke deskundigheid en tijdsinvestering.

Het is de bedoeling dat je met een gesloten toetsvraag onderscheid maakt tussen de student die wel de kennis beheerst en de student die niet de kennis beheerst. Toetsvragen waar onvoldoende aandacht aan is besteed geven de student een grotere kans om zonder over de beoogde kennis te beschikken een goed antwoord te kiezen. Onvolkomen toetsvragen en antwoorden geven studenten die wel de kennis beheersten juist verwarring. Beide situaties wil je voorkomen door aandachtig alle onderdelen te ontwikkelen.

Het gesloten karakter van toetsvragen zorgt ervoor dat je bij het opstellen van de toetsvraag evenveel aandacht aan het juiste antwoord, de afleiders en de vraagstelling moet besteden. Afleiders zijn de alternatieven, de niet-juiste antwoordmogelijkheden. De student heeft als het ware niets meer dan de vraag en de antwoordalternatieven. Er is geen gelegenheid om te beargumenteren richting een bepaald antwoord. Dat maakt het belangrijk om evenveel aandacht te geven aan het maken van de toetsvraag (de stam), het juiste antwoord (de sleutel) en de alternatieven (afleiders) die de student krijgt voorgelegd

5.7. Gesloten toetsvragen opstellen

Zoals hiervoor is aangegeven is het noodzakelijk om aandacht te besteden aan de toetsvraag, het juiste antwoord en de afleiders. Het opstellen van een gesloten toetsvraag start je altijd met een blik op de toetsmatrijs en de beoogde leeropbrengsten daarin. Bij ieder type gesloten vraag hoort een andere instructie. Bijvoorbeeld ‘kies het juiste antwoord’ bij een meerkeuzevraag en ‘er kunnen meerdere antwoorden juist zijn, kies de juiste antwoorden’ bij een multiple respons-vraag. Het lijkt een open deur, maar: geef aan wat de student moet doen en controleer de helderheid van die instructie.

Een goede gesloten toetsvraag bevat alleen en alle voor de beantwoording relevante informatie. Dat betekent dat er in de antwoordalternatieven geen extra informatie wordt gegeven. De student zou de vraag ook zonder de gegeven antwoorden moeten kunnen beantwoorden. Schiet echter niet door in de hoeveelheid informatie: overbodige informatie kost de student veel leestijd en toetst leesvaardigheid in plaats van kennis. Je doet er goed aan in toetsvragen objectiviteit en specifiekheid na te streven. Een goede controle is of collega’s hetzelfde antwoord geven op de vraag (ook zonder dat ze de antwoordmogelijkheden hebben gezien).

Een student moet zich kunnen concentreren op de vraag en antwoordmogelijkheden. Dat stelt eisen aan de presentatie. Vermijd daarom negatief gestelde vragen, dubbele ontkenningen, onnodig moeilijke woorden en andere taal die afleidt. Afgewogen gebruik van alinea’s en interpunctie doen wonderen qua leesbaarheid en duidelijkheid. Met toetsvragen willen we natuurlijk toetsen of een student de leeropbrengsten heeft behaald. Geef dus geen antwoorden weg door in de vraag aanwijzingen te geven. Het gebruik van de/het dat op een bepaald alternatief wijst of herhaling van woorden in de vraag en de alternatieven moet je vermijden. Vermijd eveneens een vaste volgorde van juiste alternatieven (A,B,C,D als juiste alternatief voor vraag 1 t/m 4 of A,A,A,B,B,B voor vraag 1 t/m 6).

Tenslotteworden te vaak afleiders (de foute alternatieven) gescheven die eigenlijk niet afleiden van het juiste antwoord en dus ook geen kennis toetsen. Een afleider moet hoe dan ook plausibel zijn. Als plausibele afleiders niet te formuleren zijn, zegt dat iets over de kwaliteit van de toetsvraag. Variaties zoals ‘alle bovenstaande zijn juist’ geven ongewild informatie weg.

5.8. Opdrachten Toetsdossier

Voor deze opdracht neem je een kennistentamen als uitgangspunt. Gebruik een toets waar je zelf een bijdrage aan hebt geleverd (opstellen vragen bijv.) of die je hebt nagekeken. Het kennistentamen bestaat uit open, half-open of gesloten vragen (of een mengvorm).
  • Evalueer de toets op de volgende elementen. Beredeneer als je evaluatie negatief is.
  • Toetsvragen dekken de inhoud van de onderwijseenheid.
  • Toetsvragen zijn eenduidig.
  • Toetsvragen zijn afgestemd op de doelgroep. Leg een door jou opgestelde toets voor aan een collega (die SKE- of BKE-niveau beheerst).
  • Beschrijf globaal de opmerkingen en suggesties die je collega geeft.