Aanmelden

9.0. Normering opstellen

9.1. Waarom deze module

  • Toetsvragen maak je vanuit de toetsmatrijs en de daarin vastgelegde beoogde leeropbrengsten. Daarmee heb je nog niet bepaald wanneer een student een vraag goed of fout heeft beantwoord.
  • Het cijfer dat de student krijgt kan worden gecorrigeerd voor raadkans (gesloten vragen) of worden vastgesteld met rubrics (open vragen).
  • Het vastleggen en gebruiken van normering zorgt voor helderheid; zowel voor studenten als docenten en andere toetsbetrokkenen

9.2. Beoogde leeropbrengsten

  • Uitgangspunten absolute en relatieve normering/cesuur kunnen schetsen.
  • De normering voor gesloten vragen kunnen schetsen.
  • Normerings-mogelijkheden voor open en gesloten toetsvragen kunnen onderscheiden.
  • De toepassing van rubrics voor open vragen kunnen schetsen.
  • Een onderbouwde keuze voor een normering en cesuur kunnen maken en toepassen

9.3. Kennisclip

9.4. Normering en cesuur

Het beginpunt van normering zijn de in overleg opgestelde toetsvragen en modelantwoorden. Toetsvraag: vragen aan de student om te laten zien wat hij beheerst of kan. De toetsvraag perkt de vraag in. Het antwoord wat we als docenten/opleiding hebben opgesteld is de meetlat waar we de antwoorden van de student tegen controleren. Bij het controleren van de antwoorden en bepalen wanneer een student voldoende scoort, gaan het over normering en cesuur.

Na opstellen van een toetsmatrijs en de toetsvragen willen we, voordat we de toets afnemen, een eerste aanzet hebben voor het vaststellen van de uitslag. De uitslag van een tentamen stellen we vast op basis van de antwoorden de de student geeft. Die antwoorden bepalen of een toetsvraag goed is beantwoord. De volgorde voor de student is: een student maakt een toetsvraag/geeft een antwoord. Het antwoord levert wel of geen punten op. Dat stellen we vast met een antwoordmodel, een rubric of het gekozen alternatief (gesloten toetsvragen).

Bij normering, die leidt tot een cijfer voor het tentamen, kan gekozen worden voor relatieve of absolute normering. Overigens: normering en cesuur hangen nauw met elkaar samen. Normering bepaalt de puntentelling. De grens tussen slagen of zakken (de cesuur) voor een tentamen hangt af van de puntentelling en correctie van die puntentelling, bijvoorbeeld als een vraag heel slecht is gemaakt.

9.5. Absolute en relatieve cesuur

Absolute normering betekent dat de score van de student alleen maar wordt bepaald door het aantal behaalde punten ten opzichte van het hoogst haalbare cijfer/puntenaantal (de inhoud van de toets). Een absolute beoordeling gaat uit van een van tevoren bepaalde score of een vooraf bepaald resultaat. Het maakt voor het cijfer van de student niet uit hoe goed andere studenten heben gescoord. Bij absolute cesuur kan de opleiding vooraf bepalen hoeveel vragen er goed moeten worden beantwoord voor een voldoende (tenzij er achteraf bepaalde vragen onmogelijk te beantwoorden bleken). Relatieve normering neemt de score van andere studenten als uitgangspunt. Relatieve normering houdt in dat je alle studenten die een toets hebben gemaakt tegen elkaar afzet wat betreft hun score op de toets. Daarmee neem je de score van de studenten en niet van de toets zelf als uitgangspunt. Je corrigeert zo voor toetsen die toch niet zo’n beste kwaliteit hadden. Aan de andere kant kan je uit relatief normeren niet afleiden hoe een groep studenten er voor staat wat betreft de toetsresultaten en beoogde leeropbrengsten. Het cijfer geeft immers aan welke positie de student inneemt ten opzichte van andere studenten en niet ten opzichte van de leerstof. Als de studentengroep dus een bijzondere samenstelling heeft, kan dat veel invloed hebben op de relatieve positie van de studenten in die groep. Bij een relatieve beoordeling kan ook pas na afname van de toets worden bepaald wat voor score een voldoende oplevert, omdat de scores van de studenten noodzakelijk zijn voor het berekenen van de cesuur.

Absoluut Relatief
Punten / cijfer t.o.v. hoogst haalbare cijfer t.o.v. maximale score in de studentgroep
Aantal juist te beantwoorden vragen (bij gelijk aantal punten per vraag) vast variabel
bepalen voldoende/onvoldoende (cesuur vooraf achteraf
Vergelijken groepen studenten Meeste groepen vergelijkbaar op scores Alleen groepen die op elkaar lijken vergelijkbaar

9.6. Normering voor open toetsvragen: Rubrics

Rubrics zijn beschrijvende beoordelingsschalen. Wat we verstaan onder ‘onvoldoende’ , ‘voldoende’, ‘goed’ en ‘ excellent’ is uitgewerkt in toetsbaar gedrag. Een rubrics-formulier geeft de mogelijkheid om per vraag een beargumenteerde keuze te maken voor het aantal punten dat je geeft. Een rubric is bedoeld voor complexe producten: een essay, een paper, een casus bijvoorbeeld. Het is meestal niet nuttig om een rubric op te bouwen voor gesloten toetsvragen of toetsvragen waarop een kort antwoord moet worden gegeven.

Te volgen stappen bij de constructie van rubrics voor een toets:

  • Bepaal of je gaat werken met een drie-, vier- of vijfpuntsschaal. Bepaal in samenhang hiermee de lay-out van de rubrics.
  • Bepaal de kritische elementen van het leerdoel.
  • Werk deze uit in meetbare prestaties. Werk eerst de ‘voldoende’ uit. Dit is de minimumprestatie, die past bij het niveau. Je kunt hierbij als check de niveautaxonomie gebruiken.
  • Beschrijf het prestatie zo kernachtig mogelijk, bij voorkeur in een zin.
  • Controleer of de uitwerking van ‘excellent’, ‘goed’ enz. consistent is en niet te uitgebreid
  • Bepaal voor elke rubriek de weging in het eindcijfer.
  • Leg de rubric aan collega’s en toetscommissie voor.

Rubrics geven de student concreet inzicht in het gewenste niveau. Vooraf geeft het de student verduidelijking wat de criteria waarop hij beoordeelt inhouden. Achteraf, is een rubric handzaam en nuttig bij het geven van feedback en punten voor verdere ontwikkeling.

9.6. Normering gesloten toetsvragen: Raadkans

Bij gesloten vragen is er altijd een bepaalde raadkans aanwezig. Hoe groot is die kans? Bij een meerkeuzetoets is de raadkans als volgt te berekenen:

  • Bij 4 alternatieven is de kans op het gokken op het juiste antwoord 25%.
  • Voor een hele toets is de regel dan: Kansscore = Aantal items X 0,25

Dus bij een toets met 60 meerkeuzevragen is bij puur gokken het aantal goede antwoorden 15. Bij een toets met 3 alternatieven is de kans op het gokken op het juiste antwoord 33%. Bij 60 items is statistisch gezien het aantal goede antwoorden dus 20 als je puur gokt.

Als algemene vuistregel met betrekking tot de betrouwbaarheid, worden de volgende regels gehanteerd:

  • 2 alternatieven = minimaal 80 items
  • 3 alternatieven = minimaal 60 items
  • 4 alternatieven = minimaal 40 items

9.7. Opdrachten Toetsdossier

  • Welke methode voor cesuur en cijferberekening wordt er gehanteerd door jouw opleiding of door jezelf?
  • Beschrijf voor een eigen tentamen hoe cesuur en cijferberekening door jou wordt uitgevoerd. Ga in op de voor jou meest relevante vragen? uit onderstaande lijst. Bespreek je uitkomsten met een toetsdeskundige/onderwijskundige binnen je opleiding.

  • Gebruik je met een reden een bepaalde cesuurmethode?
  • Heeft de methode die wordt gebruikt bepaalde voordelen of nadelen, zo ja, wat zijn die voor of nadelen?
  • Hoe wordt er omgegaan met meerkeuzevragen en de bijbehorende gokkans?
  • (Hoe) wordt er bij open vragen gebruik gemaakt van rubrics?