Aanmelden

Kennistoets

 

Andere benaming: theorietoets, meerkeuzetoets, mc-toets, open vragen, juist-onjuistvragen, half-open vragen, mondelinge toets

Wat is het?
 
·       Een toets met vragen over beroepsgerichte, theoretische en vakgerichte kennis.
·       De toets wordt vaak ter afsluiting van een bepaald studieonderdeel in een studieperiode gegeven.
·       Deze toets kan verschillende vormen hebben:
  • Meerkeuzevragen met twee (juist/onjuist), drie of vier antwoordalternatieven.
  • Open vragen.
  • Half-open vragen waarbij de student de ontbrekende informatie moet aanvullen.
  • Mondelinge toets.
·      Een schriftelijke toets kan een combinatie van bovenstaande vormen hebben en leent zich goed voor digitale afname. De toetsvragen worden vaak in een databank van toetsvragen (itembank) opgeslagen. Een itembank maakt het mogelijk om meerdere toetsen samen te stellen en de items goed te beheren (zie verder digitaal toetsen). 
 
Wat wordt er getoetst?
 
·       De mate waarin de student op een bepaald moment en in een bepaald tijdsbestek, de vereiste beroepskennis, theoretische en/of vakgerichte kennis beheerst.
·       Het niveau van kennisbeheersing: de student kan in elk geval vragen beantwoorden die gericht zijn op weten, begrijpen en toepassen.
·       Hogere niveaus van kennis - zoals analyseren, evalueren, redeneren - worden met andere toetsvormen, zoals essaytoets of casus toets beoordeeld. Zie ook Taxonomie van Bloom.
 

Hoe wordt deze toets gemaakt?
 
Over het maken van kennistoetsen is veel literatuur beschikbaar. Zie Literatuur (rechterkolom) en Ontwerpen.
Een aantal aandachtspunten:
·      Bepaal op basis van de leerdoelen welke leerstof getoetst gaat worden en draag er zorg voor dat alle leerdoelen in de toets aan bod komen. Gebruik hiervoor een toetsmatrix.
·      Let op de eisen van validiteit en controleer de items op betrouwbaarheid.
·      Construeer vooraf ook de herkansing.
·      Schrijf de instructies voor de student.
·      Stel een antwoordmodel (open vragen) of antwoordsleutel (gesloten vragen) op en leg de beoordelingscriteria en -normen vast.
·       Bepaal waar de cesuur ligt; grens ligt tussen voldoende en onvoldoende.
·      Leg de toets, het antwoordmodel, de beoordelingscriteria en -normen en de cesuur voor aan een collega voor feedback.
·      Zorg ervoor dat taal geen struikelblok kan vormen bij het beantwoorden van de toetsvragen; gebruik niet te moeilijke woorden of te complexe zinnen.
Bij gesloten vragen is er altijd een bepaalde raadkans aanwezig. Hoe groot is die kans? En hoe moet je scoren om de raadkans te neutraliseren? Bij een meerkeuzetoets is de raadkans als volgt te berekenen: Bij 4 alternatieven is de kans  op het gokken op het juiste antwoord 25%. Voor een hele toets is de regel dan: Kansscore = Aantal items X 0,25.
 
Dus bij een toets met 60 meerkeuzevragen is bij puur gokken het aantal goede antwoorden 15. Bij een toets met 3 alternatieven is de kans op het gokken op het juiste antwoord 33%. Bij 60 items is statistisch gezien het aantal goede antwoorden dus 20 als je puur gokt.
Als algemene vuistregel met betrekking tot de betrouwbaarheid, worden de volgende regels gehanteerd:
2 alternatieven = minimaal 80 items
3 alternatieven = minimaal 60 items
4 alternatieven = minimaal 40 items

Bij een combinatie van open en gesloten vragen en bij deeltentamens  moet goed worden bewaakt of het geheel van de deeltentamens of het combinatie-tentamen voldoet aan de regels van validiteit en betrouwbaarheid.  Het geheel van de vragen moet de leerdoelen voldoende afdekken (zichtbaar gemaakt door de toetsmatrijs). Bij twee deeltentamens moet bij beide deeltentamens de gokkans in de cesuurbepaling zijn verwerkt (zie verder volgende alinea: 'hoe wordt deze toets beoordeeld').

Hoe wordt deze toets beoordeeld?
 
Gesloten vragen:
·       Op het percentage goed gegeven antwoorden op basis van de antwoordsleutel.
·       De examinator bepaalt op grond van het percentage goed gegeven antwoorden het cijfer.
·       Van tevoren is bepaald welke cesuurmethode wordt gehanteerd en waar de cesuur ligt (bij welk percentage goede antwoorden). Op basis van analyse van de toetsresultaten kan de cesuur worden bijgesteld. Dit vindt altijd plaats in overleg met collega's. Zie: Analyseren en Evalueren
·       Bij de vaststelling van de cesuur speelt de gokkans een belangrijke rol. Als de slaagkans ligt bij 60% ligt de cesuur bij een tentamen van 40 meerkeuzevragen bij 24 + de gokkans voor de overige 16 vragen (= 4) = 28 vragen goed. Bij een deeltentamen met 20 meerkeuzevragen en een cesuur van 60% ligt de cesuur bij 12 vragen + de gokkans van de overige 8 vragen (=2) = 14 vragen goed.
 
Open vragen:
·       Op basis van het antwoordmodel beoordeelt de examinator het gemaakte werk: bevat het antwoord de gevraagde informatie op het juiste niveau?
·       Indien van toepassing, toetst de examinator op taalgebruik.
·       Op basis van de beoordeling worden punten toegekend, zoals in de normering is vastgelegd
·       Het totaal aantal punten wordt omgezet in een cijfer.
 
Tip De eerste toetsen met open vragen worden meestal iets nauwkeuriger nagekeken dan de laatste toetsen. Na verloop van tijd slaat de routine toe. Om dat te voorkomen is het handig om ‘horizontaal’ te beoordelen door bijvoorbeeld eerst vraag 1 in alle toetsen na te kijken, vervolgens vraag 2 in alle toetsen, enzovoort. Het is ook verstandig om anoniem na te kijken en na elke vraag de volgorde van de toetsen te veranderen.
Een goed antwoordmodel met normantwoorden doet ook wonderen!
 
Welke feedback krijgt de student?
 
·       Een cijfer naar aanleiding van de goed en fout beantwoorde vragen.
·       De examinator houdt een nabespreking van de toets (inzage).
·       De student kan dan de eigen gemaakte toets inzien en vragen stellen aan de docent.

Bij digitale itembank is inhoudelijke feedback op de vragen meestal opgenomen in de toetsapplicatie.

Hoe bereid je de student voor?
 
·       Zorg dat leerdoelen,  de toetsvorm en de beoordelingscriteria  en –norm vooraf bekend zijn.
·       Bespreek de leerdoelen en beoordelingscriteria met de studenten zodat helder is wat we van ze verwachten zowel qua inhoud als niveau.
·       Zorg dat de inhoud en het niveau waarop de inhoud moet worden beheerst, voldoende aan de orde komen in de bijeenkomsten.
·       Geef voorbeeldvragen en goed geformuleerde voorbeeldantwoorden en bespreek deze. Pas classroom assessment toe.
·       Maak duidelijk wat de studenten moeten bestuderen en welke bijdrage dit levert aan de kennisbasis van de professional in deze beroepspraktijk.

Wat zijn de sterke kanten van de toets?
 
·       Een gesloten vragen kennistoets is grootschalig toepasbaar, relatief goedkoop, gemakkelijk te beoordelen en goed analyseerbaar.
·       Deze toetsen zijn desgewenst effectief te digitaliseren en afname is te automatiseren.
·       Digitale afname maakt een variëteit aan gesloten vraagvormen mogelijk.
·       Waneer een itembank ontstaat is het goed mogelijkheid te selecteren op valide en relevante vragen.
·       Bij open vragen zijn betrouwbare antwoordmodellen te construeren.
·       De examinatoren kunnen in overleg met collega's de cesuur bijstellen zonder dat dit de betrouwbaarheid van de toets aantast.
·       De toetsafname zelf is een geringe belasting, maar vereist een goede logistieke en administratieve afwikkeling.
·       De kennistoets kan worden gecombineerd met andere toetsvormen (casus, artikel) en met andere relevante kennisdomeinen.

Wat zijn de beperkingen van de toets?
 
·       Het ontwikkelen van met name meerkeuzevragen is een zeer tijdrovende zaak en vereist specifieke deskundigheid. Bij deze en andere kennistoetsen zijn veelvoorkomende klachten van studenten: onduidelijke vraagformulering, ongelijksoortige antwoordalternatieven, onduidelijk waarop beoordeeld zal worden en achteraf geen of onbevredigende feedback.
·       Kennistoetsen met grotendeels gesloten vragen zijn minder geschikt om te beoordelen of studenten kennis kunnen toe passen of zelf bijdragen aan kennisontwikkeling. Toetsvorm is beperkt bruikbaar voor hogere orde denkniveaus.
 
Tips mc-toetsvragen 
 
 
g van de vraag:
·         Niet I of II is juist, of geen van de bovenstaande ... is juist
·         Wat is mogelijk? Beter is: wat is correct?
·         Formuleer een vraag positief.
·         Welke stelling is juist? Beter is: Welk alternatief is correct?
·         Verwijs niet naar een andere mc-vraag, want hoe moet men die gekoppelde vraag dan objectief beoordelen.
·         Vermijd absolute formuleringen zoals: nooit en altijd.
·         Vermijd dubbele ontkenningen.
 
Bepaal wat de aard van het antwoord moet zijn:
·       Feitenkennis.
·       (Be-)rekenvaardigheid, analyserend vermogen, probleemoplossend vermogen, attitude, kritisch denken.
·       Besluitvorming, nemen van beslissingen bij risico's.
·       Verklaren, logisch redeneren, vergelijken.
 
Vragen waarbij soms problemen ontstaan
Numerieke antwoordvragen: geef afbakening van de alternatieven in een RANGE: 12,00=<13,33=<14,00.


 
Laatst gewijzigd: 5 juli 2017