Aanmelden

Voortgangstoets

 

Andere benamingen: tussentijdse toets, meerkeuzetoets, mc-toets, juist-onjuistvragen

  
Wat is het?

De voortgangstoets (VGT) is een (digitale) kennistoets over de gehele kennisbasis (body of knowledge) van het beroep waartoe wordt opgeleid. De VGT bestaat uit een itembank met een grote hoeveelheid meerkeuzevragen over alle kennisgebieden die van belang zijn voor de beroepsbekwaamheid. Een landelijke VGT toetst de landelijk vastgestelde kennisbasis. Een VGT van een opleiding toetst de kennisbasis die het fundament is van de eigen eindkwalificaties.

 

Kenmerkend voor de VGT is dat hij curriculum onafhankelijk is en gedurende de gehele opleiding elk kwartaal wordt afgenomen. De VGT stimuleert zo een continu leerproces. Stampen voor de VGT is zinloos, omdat de toets kennisgebieden en onderwerpen bevat, die nog niet behandeld zijn. Daarom verschilt het percentage vragen, dat de student goed moet kunnen beantwoorden in (perioden van) de propedeuse, hoofdfase en afstudeerfase.

 

Het doel van de VGT is om de student inzicht te geven in welke kennis hij al beheerst

en welke nog niet. De feedback functie staat centraal en de nadruk ligt op de diagnostische (formatieve) toepassing. De score op de VGT kan wel meetellen in het eindcijfer (weging). Een digitale VGT maakt het mogelijk dat de student direct zijn score en feedback krijgt.

 

De VGT geeft docenten inzicht in de mate waarin een bepaalde groep studenten de kennisbasis beheerst. Op basis daarvan kunnen zij zo nodig het onderwijs bijstellen.

Een landelijke VGT biedt studenten en opleiding om hun score te vergelijking met die van andere opleidingen. Bij een landelijke VGT bepaalt de examencommissie van de opleiding het aantal studiepunten dat de VGT per studiejaar oplevert.  



Wat wordt er getoetst?
 
·         De hoeveelheid beroepskennis waarover de student inmiddels beschikt.
·         De vorderingen ten opzichte van eerdere voortgangstoetsen.

Door het doen van een voortgangstoets:

·         Ontdekt de student op welk niveau zijn theoretische kennis zit en in hoeverre hij de body of knowledge

beheerst, die nodig is om het beroep op bachelor niveau uit te oefenen.

·         Krijgt de student inzicht in de sterke en zwakke punten van zijn beheersing van theoretische kennis.

·         Weet de student welke kennisinhouden hij nog moet bestuderen.

·         Kan de student een planning maken om zijn beheersing van theoretische kennis te verbeteren.


 
De voortgangstoets wordt twee manieren toegepast:
 
1.     Voortgangstoets als kennistoets

Een tussentijdse kennistoets over de gehele kennisbasis van de opleiding. Per studiefase is bepaald hoeveel procent van de vragen goed beantwoord moet worden. Dit betekent dat de student in de propedeuse slechts een beperkt deel van de kennis bezit en dus ook minder vragen correct hoeft te beantwoorden. Op basis van de uitslag wordt vastgelegd hoeveel kennis de student al bezit en wat hij nog moet leren.

·     De toets vindt meestal meerdere keren tijdens een studiejaar plaats. Iedere volgende keer moet de student een hoger percentage vragen goed beantwoorden.



2.     Voortgangstoets als (zelf)diagnostische toets
 

Informatie voor de student met het oog op verdere studieplanning: Over welke onderwerpen en inhouden moet ik mijn kennis ophalen of inhalen? Wat zijn mijn sterke en zwakke kanten als het gaat om de beheersing van de kennisbasis van mijn opleiding? Hoe verhoud ik mij tot de vereiste kennis en tot mijn medestudenten?

Informatie voor de docent: inzicht in de voortgang van de ontwikkeling van de kennisbasis bij studenten met het oog op de verdere onderwijsplanning.

Informatie voor de docent: In welke mate beheerst de student de kennis die hij zou moeten beheersen op dit moment in de studie? De docent kan zijn onderwijs eventueel aanpassen als uit de resultaten van de voortgangstoets blijkt dat het merendeel van de studenten de benodigde kennis nog niet beheerst.


 
Tip: De ontwikkeling van een kennisbank of databank van toetsvragen is zelden een zaak van een opleiding alleen. Het werkt kwaliteitsverhogend om met relevante andere opleidingen en beroepsgroepen aan de vulling van de vragenbank te werken.
 
Hoe wordt deze toets gemaakt?
 
Vooraf

Een voortgangstoets wordt altijd door een groep van docenten worden opgesteld. Het is raadzaam om feedback te vragen aan een toetsexpert. Ongeacht de toepassing van de VGT, zijn aandeel in het toetsprogramma en de mate waarin hij meetelt, is het wenselijk om de kwaliteit van (nieuwe) toetsvragen altijd te testen op validiteit en betrouwbaarheid, voordat ze opgenomen worden. Hiervoor is door de examencommissie(s) een procedure opgesteld.


Bij de ontwikkeling van een digitale VGT zijn het niveau van opleiding(en), domein(en) en/of instelling(en) beslissingen genomen over het toets concept, de te volgen procedures en het technisch platform.  Bij het actueel houden van een digitale VGT zijn inhoudsdeskundigen en ICT-deskundigen betrokken. Jaarlijks kan docenten gevraagd worden om nieuwe vragen met bijbehorende feedback aan te leveren. Deze wordt na screening toegevoegd aan de itembank. De vragen zijn digitaal opgeslagen en worden, afhankelijk van de situatie, geselecteerd voor een bepaalde voortgangstoets.


Constructie van een voortgangstoets als kennistoets
 
·       Definieer de basiskennis (body of knowledge) van het beroepsdomein.
·       Geef aan welke inhoudsgebieden (kwalitatief en kwantitatief) worden opgenomen.
·       Stel vast en selecteer de toetsitems (minimaal 150).
·       (Laat) de vragen selecteren.
 
Wat heb je nodig om deze toets af te nemen?
 

·         Geef aan hoe de student zich aanmeldt, inlogt en zijn toetspad (verzameling toetstaken) kan vinden.

·         Stel beoordelingsnormen op.

·         Stel beoordelingsschalen vast.

·         Draag zorg voor vak- of kennisgebied overstijgende inhoudelijke kwaliteitsbewaking.

·         Draag zorg voor een flexibele, gemakkelijk toegankelijke en veilige databank van toetsresultaten.


Afname
·       Maak goede afspraken over bereikbaarheid en nazorg.
·       Zorg bij tijd- en plaatsgebonden afname voor goede organisatie, coördinatie en helpdeskfaciliteiten.
Er zijn verschillende soorten vraagtypen.
 
Hoe wordt deze toets beoordeeld?
 

De normering van de VGT is vooraf vastgesteld door de examencommissie. De cesuur kan per cohort variëren (relatieve cesuur).

Bij de voortgangstoets als kennistoets: per studiejaar (en/of periode) is het percentage goede antwoorden bepaald dat nodig is om een voldoende te behalen: in het 1ste jaar moet 10 van de vragen goed beantwoord te worden, in het 2de jaar 50% en 4de jaar 95%).


 
Welke feedback krijgt de student?
 

Een cijfer (ook in vergelijking met zijn vorige resultaten) en bij voorkeur een kernachtige toelichting op waarom het antwoord goed of fout is. Bij een fout antwoord kan er een verwijzing zijn naar relevante te bestuderen literatuur of modules.

Als er een studieadvies is gekoppeld aan de uitslag, dan heeft de student de mogelijkheid om dit te bespreken met een docent of studiebegeleider.


 
Hoe bereid je de student voor?
 

Het is belangrijk dat studenten en docenten vooraf goed op de hoogte zijn van de waarde, het wat en waarom van de voortgangstoets: de bijdrage aan studiesucces door monitoring en (zelf) sturing van de kennisontwikkeling. Ook moeten zij op de hoogte zijn van de relatie met het eindniveau en met summatieve toetsing.  

Studenten dienen een actueel overzicht te hebben van de te beheersen basiskennis (body of knowledge) van de opleiding (studiegids).



Tip: Het - vooraf - maken van een toetsmatrijs met de inhoud en de inhoudsgebieden, is nodig om te controleren of de vragen die uit de kennisbank gehaald worden, voldoende representatief zijn voor het totale kennisbestand.
 
Wat zijn de sterke kanten van de toets?
 

·         Doordat meer docenten zijn betrokken bij de ontwikkeling van de VGT (meer ogen) en er een procedure is voor opname van nieuwe toetsvragen, is de kwaliteit relatief hoog.  

·         Er wordt voortdurend getest op betrouwbaarheid en validiteit.

·         Alle beroepsrelevante kennisgebieden komen samen in de toets.

·         Een digitale VGT kan tijd- en plaats onafhankelijk worden afgenomen.

·         De student kan zijn eigen vorderingen goed volgen.

·         De toets heeft een evaluatieve functie voor de opleiding (aan welke elementen wordt gezien de resultaten te weinig aandacht besteed).

·         De toets maakt het mogelijk om het niveau van groepen (klassen, cohorten) te vergelijken.

·         De toets kent geen herkansing.

    

Wat zijn de beperkingen van de toets?

 

·         Het is een uitdaging om steeds de actuele basiskennis (body of knowledge) voor alle  representatieve kennisgebieden bij te houden en tijdig nieuwe vragen te ontwikkelen.

·         Het maken en afnemen van deze toets vereist een goede toetsorganisatie en toetsdeskundigheid.

·         Deze toetsvorm is vooral geschikt om 'lagere beheersingsniveaus' te toetsen (taxonomie van Bloom: niveaus ‘onthouden’ en ‘begrijpen’). Deze toetsvorm is minder geschikt om na te gaan hoe men er in slaagt om kennis toe te passen of om zelf bij te dragen aan kennisontwikkeling.

·         Door de curricullum onafhankelijkheid van de (landelijke) VGT kan het vooral voor jongere jaars studenten vervelend zijn om veel vragen niet te kunnen beantwoorden. Daar staat tegenover, dat de toets studenten al vanaf de propedeuse inzicht geeft in wat relevante kennisgebieden voor beroep en hoofdfase zijn. 

·         Bij een voortgangstoets als kennistoets kan het zo zijn dat de docent weinig zicht heeft op de toets die aan de student wordt voorgelegd als deze ‘at random’ uit de databank wordt samengesteld.


Tips
·         Zorg dat een student een dusdanige terugkoppeling op de vragen krijgt, dat hij er zelf iets van kan leren en zichzelf kan verbeteren.
·         Goed gebruik van een itembank vraagt regelmatig tijd en aandacht. Het aanleggen van een vragenbestand is geen eenmalige gebeurtenis met vergt voortdurende onderhoud.
·         Zorg voor een gerichte vraagstelling zodat voor de student duidelijk wordt wat hij moet doen en uit hoeveel alternatieve antwoorden hij hoeveel juiste antwoorden moet kiezen. Maak aan de student duidelijk wat er van hem gevraagd wordt!
·         Zet de instructie voor de student direct boven aan de vraag en beschrijf hier wat je als docent precies wilt weten van de student en wat er van de student verwacht wordt. Waar moet de student antwoord op geven?
·         Zorg er in de instructie voor dat in ieder geval de volgende zaken worden benoemd: het aantal juiste antwoordmogelijkheden dat je van de student verwacht, Verwerk de bron in de instructie (auteur, jaartal, titel, les nummer met datum en naam van de docent), zodat de student kan achterhalen waar hij de nodige informatie vandaan kan halen/ had kunnen halen.


Laatst gewijzigd: 10 september 2014

 ‭(Verborgen)‬ Bronnen

 ‭(Verborgen)‬ Voorbeelden

 ‭(Verborgen)‬ Links