Aanmelden

KERNTAKEN VAN DE ASSESSOR

De assessor:

  1. beoordeelt of bewijs toereikend[1] is om het assessmentgesprek te kunnen voeren;

  2. voert op basis van bewijs een criteriumgericht interview[2] (ook wel assessment- of    

  3. portfoliogesprek genoemd) om het competentieniveau van een student te bepalen;

  4. stelt het competentieniveau van de student vast (en deelt dit mee);

  5. geeft ontwikkelingsgerichte feedback;

  6. legt bevindingen en eindoordeel vast op het beoordelingsformulier of in een rapportage.

 

BASISKWALIFICATIES VAN DE ASSESSOR

De assessor:
  • beschikt over relevante en brede expertise en praktijkervaring op het domein van de opleiding;

  • is werkzaam in de opleiding (interne assessor) of in een relevante beroepspraktijk (externe assessor);

  • heeft een hbo-diploma of hoger behaald;

  • is klantgericht en oprecht geïnteresseerd in de ontwikkeling van de student;

  • is sensitief: verplaatst zich in de belevingswereld van de student;

  • is zich bewust van het eigen referentiekader en hanteert dit adequaat bij de uitvoering van zijn taken;

  • werkt efficiënt, accuraat en komt afspraken na;

  • communiceert toegankelijk en overtuigend, zowel mondeling als schriftelijk;

  • is leergericht en bereid te investeren in zichzelf.

De genoemde kwalificaties zijn tevens criteria voor de selectie van assessoren.


KWALTEITEN VAN DE ASSESSOR

De assessor is in staat om inhoudelijk en op professionele wijze te beoordelen of de student voldoet aan de vereiste competenties. Omdat de ontwikkeling en beoordeling van competenties gebeurt aan de hand van diverse praktijksituaties, dient een assessor 'de wereld achter de indicatoren' te kennen. Dat wil zeggen dat hij competenties kan relateren aan uiteenlopende praktijksituaties, gedrag en bewijs van dat gedrag.


GEDRAGSINDICATOREN

Het gedrag dat van assessoren wordt verwacht bij de uitvoering van portfolio- en gedragsassessments is verwoord in onderstaande gedragsindicatoren. In assessorentrainingen zijn deze indicatoren het uitgangspunt voor het oefenen van assessorvaardigheden. Bij de proeve van bekwaamheid van de assessor gelden de indicatoren als beoordelingscriteria.

De assessor:

  • creëert een sfeer waarin de student volledig tot zijn recht kan komen;

  • brengt structuur aan in het assessmentgesprek;

  • past verschillende vraag- en gesprekstechnieken adequaat en op het juiste moment toe om:

  • het competentieniveau van de student doelgericht te achterhalen;

  • regie te houden in gesprek;

  • relateert ervaringen, werkwijze en bewijzen die de student inbrengt aan relevante competentiecriteria (beoordelingsdriehoek);

  • herkent (beroeps)producten als bruikbaar bewijs;

  • komt tot een onderbouwd eindoordeel en brengt dit op overtuigende en constructieve wijze over;

  • geeft constructieve feedback;

  • legt het oordeel op toegankelijke wijze vast in een rapportage;

  • gaat adequaat en klantgericht om met eventuele bezwaren tegen het eindoordeel.


[1] Bij een gedrags- of performance-assessment  is er (meestal) geen portfolio. Het assessmentgesprek gaat dan over het gedrag dat de assessor heeft geobserveerd tijdens de 'performance' van de student. Dit geldt ook voor de tweede taak van de assessor: 'voert op basis van geobserveerd gedrag een criteriumgericht interview'.

[2] Dit criteriumgericht interview wordt ook wel cgi, assessment- of portfoliogesprek genoemd.

 ‭(Verborgen)‬ Literatuur

 ‭(Verborgen)‬ Voorbeelden