Aanmelden

Borging kwaliteit

 

Onder ‘kwaliteitsborging’ verstaan we: het verduurzamen van wat goed gaat en het verbeteren van wat niet goed gaat. Het heeft betrekking op het geheel van maatregelen om de toetskwaliteit te implementeren en te verbeteren. Dit vraagt om een kwaliteitscultuur, waarin alle belanghebbenden het eens zijn over wat de kern van de toetskwaliteit is en hoe die zichtbaar is in de toetspraktijk. Docenten stemmen regelmatig gezamenlijk af rond de toetsing en zijn kritisch op zichzelf en elkaar. Examencommissie en toetscommissie vervullen hun controlerende taken.

De samenhang tussen alle zaken die de toetskwaliteit beïnvloeden is gevisualiseerd in een kwaliteitspiramide voor toetsen en beoordelen. Het hoogste niveau van de piramide is dat van het toetsbeleid (binnen de HvA: HvA toetsbeleid en toetsplan opleiding). Daarna volgen de niveaus van het toetsprogramma en van de kwaliteit van afzonderlijke toets- en beoordelingsinstrumenten. De basis wordt gevormd door de kwaliteit van taken, opdrachten en/of items.

 
 


Toetspiramide voor toetsen en beoordelen (Joosten-ten Brinke & Sluijsmans, 2010, aanpassing, Jaspers, 2011)
 

Een adequate kwaliteitsborging verlangt de voortdurende aandacht van iedereen voor de bewaking en de verbetering van de toetskwaliteit op alle niveaus. Om dit te organiseren zijn regie en voortdurende onderlinge communicatie en afstemming nodig tussen examencommissie, toetscommissie,  examinatoren, begeleiders en andere betrokkenen. De kwaliteitsborging is niet alleen gericht op kwaliteitscontrole, maar ook op verbetering en op verduurzaming (rondmaken pdca cyclus). De ervaring leert dat ook goede toetspraktijken steeds opnieuw geactualiseerd en aangescherpt moeten worden.

 

Toetsorganisatie

 

Het docententeam heeft een doorslaggevende rol bij de kwaliteit van de toetsing. De docenten zijn degenen die hoge verwachtingen communiceren, die tentamens construeren, beoordelen, verwerken en feedback geven. Zij stemmen in teamverband af over kwaliteitsaspecten van toetsing. De toetsorganisatie schept de randvoorwaarden waaronder zij kwaliteit kunnen leveren.

Gangbaar onderscheid is ‘kleine’ en ‘ grote’  kwaliteit. ‘Kleine kwaliteit’ verwijst naar zaken die onnodig misgaan en ergernissen voor studenten en docenten. Zoals onvoldoende tentamenformulieren, computers of toetsplekken, toetsroosters of cijfers die niet tijdig bekend zijn. ‘Grote kwaliteit’ verwijst naar de afgesproken kwaliteitseisen die betrekking hebben op de inhoud en het niveau van de toetsing.

De toetscyclus is een model om de toetsorganisatie zo in te richten dat er een effectief gestroomlijnd werkproces is, waarin iedereen die betrokken is bij een toets, zijn werk effectief kan doen (Jaspers & Schade, 2002). De cyclus omvat alle fasen van de toetsing; van toetsconstructie tot en met de evaluatie. Om het werkproces te stroomlijnen wordt voor elke fase in kaart gebracht wat de activiteiten, taken en verantwoordelijkheden van alle betrokken personen en commissies zijn.

De kwaliteitseisen worden uitgewerkt in functieomschrijvingen en in richtlijnen voor kwaliteitsborging in alle fasen van de toetscyclus. Deze omvatten richtlijnen over het gebruik van toetsmatrijs en niveau taxonomie bij toetsconstructie, richtlijnen voor toetsafname [link protocollen], beoordeling, bepaling van toetskwaliteit na afname en administratieve verwerking.

 
 


Toetscyclus (bron: Hanzehogeschool, 2013)
 

Afhankelijk van de aard van het toetsprogramma en de gebruikte (digitale) toetsvormen en de omvang van de opleiding kan het effectief zijn om taken en/of functies te creëren, die gespecialiseerd zijn op inhoudelijke, toetstechnische en/of organisatorische deskundigheid. Voorbeelden zijn: itemontwikkelaar, toetsconstructeur, toetscoördinator, coördinator digitaal toetsen, beheerder itembank, medewerker toetskwaliteit. De hele infrastructuur voor (digitaal) toetsen kan worden ondergebracht in een toetsbureau.   

 
Laatst gewijzigd: 25 augustus 2014