Aanmelden

 STandaarden eindniveau

De NVAO licht de standaard die betrekking heeft op het eindniveau als volgt toe: “De opleiding beschikt over een profiel en eindkwalificaties die qua niveau en oriëntatie voldoen aan landelijke en internationale standaarden (Dublin descriptoren en beroepsdomein), en een gemeenschappelijke body of knowledge gevalideerd door de beroepspraktijk. Ze sluiten bovendien aan bij de actuele eisen die in internationaal perspectief vanuit het beroepenveld en het vakgebied worden gesteld aan de inhoud van de opleiding. Het oordeel van en de relatie met de beroepspraktijk is een wezenlijk kenmerk in de beoordeling van de kwaliteit van de beoogde eindkwalificaties”.

 

Met andere woorden: de opleiding heeft haar eindkwalificaties uitgewerkt op basis van:

  • de inhoud van de opleiding;
  • de professionele oriëntatie van de opleiding (vs wetenschappelijke oriëntatie);
  • de internationale eisen aan het beroep, zoals beroepsprofielen of kwalificaties;
  • de (inter)nationale eisen aan het niveau.

Het gaat om de volgende standaarden:

1.       Internationaal:

a.     De Dublin descriptoren (Bologna 2003)

b.     Het Europese en daarvan afgeleid het Nederlands Kwalificatieraamwerk Hoger Onderwijs  (NQF-HO).

2.       De professionele bachelor standaard (Vereniging Hogescholen, Kwaliteit als opdracht, 2009).

3.       Landelijke kwalificaties voor opleiding en/of domein. 

 

Dublin descriptoren

Voor accreditatie is vereist, dat de opleiding kan aantonen dat het eindniveau van haar eindkwalificaties overeenstemt met de internationale standaard voor het bachelorniveau, de Dublin descriptoren (2003).

 
Dublin descriptoren voor het bachelorniveau:
·          Kennis en inzicht: heeft aantoonbare kennis en inzicht van het vakgebied, functioneert doorgaans op een niveau waarbij met ondersteuning van specialistische handboeken, enige aspecten voorkomen waarvoor kennis van de laatste ontwikkelingen in het vakgebied vereist is.
·          Toepassen kennis en inzicht: biedt beargumenteerde oplossingen voor problemen van het vakgebied, voert onder supervisie eenvoudig onderzoek uit, past basismethoden van onderzoek passend bij het vakgebied toe,  kan omgaan met veel voorkomende beroepskritische situaties.
·          Oordeelsvorming: is in staat oordelen te vormen op basis van verzamelen en interpreteren van relevante gegevens, waaronder evidence-based oplossingen, op basis van het afwegen van relevante sociaal-maatschappelijke, wetenschappelijke of ethische aspecten.
·          Communicatie: is in staat ideeën en oplossingen over te brengen op een publiek bestaande uit specialisten of niet specialisten.
·         Leervaardigheid: klaar voor een vervolgstudie die een hoog niveau van autonomie veronderstelt.
 

Aan de hand van de Dublin descriptoren is het eindniveau van hoger onderwijs opleidingen binnen Europa onderling vergelijkbaar.

Praktische uitwerking:

  • In de meeste landelijke beroeps- en opleidingsprofielen is uitgewerkt hoe de landelijke kwalificaties samenhangen met de Dublin descriptoren.
  • Om aan te tonen dat de eindkwalificaties samen hangen met de Dublin descriptoren voor een bachelor kan een opleiding een schematisch overzicht maken van hoe elke descriptor tot uitdrukking komt in de eindkwalificaties.


Nederlands Nationaal Kwalificatie Raamwerk Hoger Onderwijs (NQF-HO)

Om de mobiliteit op de Europese onderwijs- en arbeidsmarkt te bevorderen door transparantie over het eindniveau van kwalificaties, is in Europees het Europese Kwalificatieraamwerk (EQF) ontwikkeld.

Op basis van het overkoepelende Europese Kwalificatieraamwerk ontwikkelen landen Nationale Kwalificatieraamwerken. Het Nederlands Nationaal Kwalificatie Raamwerk Hoger Onderwijs (NQF-HO) omvat voor het hoger onderwijs de niveaus bachelor, associate degree,  master en doctoraat.

 
EQF 8    
3rd cycle  
Doctoraat
EQF 7    
2nd cycle 
Master
EQF 6    
1st cycle   
Bachelor
EQF 5    
short cycle 
Associate Degree
EQF 4     
VWO, Havo, MBO-4
EQF 3     
MBO-3
EQF 2     
MBO-2, VMBO, Educatie 3 en 4
EQF 1     
VMBO BB, MBO-1, Educatie 2
 

Een gevolg van de invoering van het Kwalificatieraamwerk is dat de beoogde eindkwalificaties van opleidingen en van hun curriculumonderdelen worden beschreven in leeruitkomsten. Leeruitkomsten beschrijven in toetsbare termen wat een student of afgestudeerde weet en kan in relevante beroepscontexten.


Hbo bachelorstandaard

Een hbo-bachelor heeft het niveau van beginnend beroepsbeoefenaar in een beroep of spectrum van beroepen en hij kan functioneren in een multidisciplinaire omgeving waarin een hbo-opleiding vereist of dienstig is. De hbo bachelor standaard is gepubliceerd in de kwaliteitsagenda van de Vereniging Hogescholen Kwaliteit als opdracht (2009). In 2010 heeft de Vereniging Hogescholen afgesproken dat de hbo-bachelor standaard het richtpunt vormt voor de ontwikkeling van landelijke opleidingsprofielen en daarmee voor de uitwerking van de eigen eindkwalificaties. Hiervoor is de procedure voor het vaststellen van landelijke beroeps- en opleidingsprofielen aangepast.

 

De hbo-bachelor standaard bevat de kern van hbo-bachelor niveau en er zijn de Dublin-descriptoren en de criteria van accreditatiekader in verwerkt. De hbo-bachelor standaard dient ervoor zorg te dragen dat studenten:

  • een gedegen theoretische basis verkrijgen;
  • het onderzoekend vermogen verwerven dat hen in staat stelt bij te kunnen dragen aan de ontwikkeling van het beroep;
  • over voldoende professioneel vakmanschap beschikken;
  • de beroepsethiek en maatschappelijke oriëntatie ontwikkelen die past bij een verantwoordelijke professional.

Deze pijlers hebben betrekking op zowel de nationale als de internationale context.

Zie verder: Uitwerking hbo standaard voor nadere inhoudelijke toelichting van deze pijlers.

In Samenhang Dublin descriptoren en hbo standaard is een vergelijking gemaakt van beide standaarden.


Landelijke eindkwalifiticaties

De Vereniging Hogescholen heeft met de landelijke werkvelden afgesproken dat de eindkwalificaties van hbo- opleidingen zijn gebaseerd op:

  • Het landelijk domeinprofiel
  • Het landelijk beroeps- en opleidingsprofiel

Als een opleiding in het kader van de eigen profilering afwijkt van het landelijke profiel, dan geeft zij hiervan een verantwoording met validering door het regionale werkveld.

 

Sectoren en opleidingsprofielen

We kennen in Nederland meerdere sectoren zoals Economie, Gezondheidszorg, Sociale Studie met elk een aantal opleidingsprofielen. Een landelijk beroeps- en opleidingsprofiel omschrijft de beroepspraktijk(en) waar de opleiding specifiek voor opleidt. Het document wordt opgesteld door het landelijk opleidingen overleg (LOO) in samenspraak met het werkveld en vastgesteld door de Vereniging Hogescholen. Het sectorale adviescollege (SAC) waar de opleiding onder valt heeft een adviserende rol.

 

Het landelijke beroeps- en opleidingsprofiel is richtinggevend voor de eindkwalificaties van alle opleidingen met hetzelfde Croho-nummer. Het beschrijft de belangrijkste beroepsrollen, beroepscontexten en de positionering van het beroep, de actuele (internationale) ontwikkelingen en wat dit betekent voor de kwalificaties van de startende beroepsbeoefenaar. Dit zijn de competenties en de onderliggende gemeenschappelijke basis aan kennis, vaardigheden en houding. Het profiel geeft weer wat afgestudeerden van elke opleiding in hoofdlijnen moeten kennen en kunnen. Het beschrijft de relatie van de landelijke kwalificaties met relevante (internationale) standaarden voor het eindniveau. Naast de Dublin descriptoren en hbo-bachelor standaard  kunnen dit ook standaarden zijn van de sector of beroepsgroep. In toenemende mate worden landelijke opleidingsprofielen en domeinprofielen internationaal gevalideerd.

Afhankelijk van de dynamiek in de sector spreekt een LOO af om elke vier tot zes jaar te onderzoeken of bijstelling van het profiel gewenst is. Voor een nieuw landelijk profiel is dit vaak vier jaar. 

 

Het aantal functies waartoe het diploma toegang geeft, varieert per opleiding. Soms is een opleiding functiegericht en/of zijn de functies aan wettelijke bepalingen gebonden, zoals in de gezondheidszorg (BIG-register). Meestal is er sprake van een range aan functies en beroepen waarvoor wordt opgeleid. Van belang is dat de beroepspraktijk dit (h)erkent.

Door de veelheid aan opleidingen die is ontstaan is dit overigens lang niet altijd herkenbaar voor de beroepspraktijk (en studenten). Vandaar dat een tendens waarneembaar is tot een reductie van het aantal opleidingen.

 

Unieke opleiding

Een opleiding die uniek is of die door slechts één hogeschool (bijvoorbeeld de opleiding Aviation, Forensisch Onderzoek of MIC) wordt aangeboden, is een landelijk unieke opleiding. Zo’n opleiding kent per definitie geen landelijk opleidingsoverleg en geen landelijk beroeps- en opleidingsprofiel. Wel passen deze opleidingen in een landelijk domeinprofiel. Dit betekent dat voor dit type opleidingen de kwaliteitseisen van het eigen opleidingsprofiel hoog zijn. Dit geldt met name voor de (inter)nationale validering door de beroepspraktijk. Dit betekent ook dat de opleidingsadviesraden van deze opleidingen niet alleen uit een lokale vertegenwoordiging kunnen bestaan, maar dat zij (inter)nationaal representatief moeten zijn.

 

Opstellen eindkwalificaties opleiding

Op basis van het landelijk beroeps- en opleidingsprofiel stelt elke opleiding van de HvA haar eigen competentieprofiel op. Dit moet aansluiten bij de grootstedelijke profilering van de HvA: studenten zijn toegerust voor het werken in een grootstedelijke, interculturele en innovatieve context. Daarmee sluit de HvA aan bij de behoeften van het regionale werkveld en de hbo bachelor standaard.

Het competentieprofiel is een vertaling van de regionale behoeften naar een eigen inkleuring van het landelijk beroeps- en opleidingsprofiel. Het legt zowel de eindkwalificaties van de beginnende beroepsbeoefenaar vast op aantoonbaar hbo-bachelor niveau als de eigen inkleuring en profilering van de opleiding. Het landelijke profiel is voor 100% herkenbaar in het opleidingsprofiel. De opgestelde set met eindkwalificaties en de inkleuring hiervan geldt voor alle geregistreerde varianten van de opleiding: voltijd, deeltijd en duaal en voor alle afstudeerprofielen.

 

Praktische uitwerking:

Op grond van de profilering van de opleiding ten opzichte van collega-opleidingen en in aanvulling op het landelijke profiel worden de volgende kwaliteitseisen gesteld aan het competentieprofiel. De opleiding:

1.       Heeft samen met representatieve en toonaangevende vertegenwoordigers uit de beroepspraktijk het competentieprofiel opgesteld. Lectoren, docenten en studenten/ alumni zijn betrokken in dit proces.

2.       Beschrijft de visie op en context van het beroep in relatie tot de eigen profilering; de visie is afgeleid van internationaal erkende standaarden van het vakgebied en duurzame actuele ontwikkelingen in de beroepspraktijk waarop de opleiding zich met name richt. De visie is:

  • Is in  belangrijke mate toekomstgericht en toekomstvast.
  • Is helder en niet te gedetailleerd.

3.       Beschrijft de eindkwalificaties, dat wil zeggen de leerresultaten die de opleiding beoogt. Het gaat om een samenhangend overzicht van de te bereiken doelen. Deze zijn op het eindniveau (het bachelor niveau) beschreven. De eindkwalificaties

  • Voldoen aan  de  actuele eisen die in internationaal perspectief vanuit het beroepenveld en  (buitenlandse) vakgenoten worden gesteld aan de inhoud van de opleiding.
  • Sluiten aantoonbaar aan op taken en verantwoordelijkheden van een beginnend beroepsbeoefenaar op het niveau van middenkader.
  • Zijn consistent met de profilering.
  • Dekken voor 100% de landelijke eindkwalificaties.

4.       Beschrijft de kenmerkende beroepsthema’s (beroepsvraagstukken), de kenmerkende beroepssituaties (beroepstaken), de kenmerkende beroepsproducten (beroepsdiensten) en de kritische beroepssituaties.

5.       Vult desgewenst  de uitwerking van de hbo bachelorstandaard in het landelijke profiel aan vanuit de eigen profilering.

6.       Beschrijft de profilering van de opleiding, dat wil zeggen: waarin onderscheidt de opleiding zich van de andere opleidingen met hetzelfde nummer? De profilering past in de grootstedelijke profilering van de HvA,  waarmee de HvA zich wil onderscheiden van andere hogescholen.

7.       Geeft een verantwoording, indien aanwezig, van de afstudeerrichtingen en speciale trajecten zoals het honoursprogramma.

Zie Opstellen eindkwalificaties opleiding voor nadere toelichting op bovenstaande punten.

In Niveau bachelor, honours en masters worden aan de hand van de Dublin descriptoren deze drie niveaus nader beschreven.

 

Externe validering

In april 2012 verscheen het rapport Vreemde ogen dwingen (Vereniging Hogescholen, 2012). Vier aanbevelingen uit het rapport zijn in najaar 2012 door de algemene vergadering van de Vereniging Hogescholen overgenomen als bindende afspraken:

1.   Elke hogeschool participeert in tenminste één pilot met twee andere hogescholen waarbij gezamenlijk toetsen worden ontwikkeld

2.   BasisKwalificatie Examinering (BKE) voor alle examinatoren (zie bronnen deze pagina)

3.   Het landelijke protocol eindwerkstukken wordt toegepast (zie bronnen deze pagina)

4.   Tenminste één extern lid in de examencommissie

 

De commissie achtte het niet haalbaar en wenselijk om over de gehele linie van het hbo te komen tot landelijke examens. Zij beveelt instellingsoverstijgende toetsen aan, waarbij een opleiding met minimaal twee gelijke opleidingen van andere hogescholen toetsen en tentamens ontwikkelt.

Naast instellingsoverstijgende toetsen is de commissie voorstander van landelijke eisen met betrekking tot toetsexpertise van docenten, examinatoren en leden examencommissie en toetscommissie, om de kwaliteit van toetsing verder te verhogen. Dit is geconcretiseerd in een landelijke Basis- en Senior Kwalificatie Examinering (BKE/SKE). BKE/SKE certificering is door de Vereniging Hogescholen overgenomen als bindende afspraak. 

Voor externe validering van de afstudeeronderdelen (eindwerkstukken) is een landelijk protocol eindwerkstukken ontwikkeld.

De afspraak: tenminste één extern lid examencommissie is opgenomen in het Examenreglement van de HvA en dit wordt nader toegelicht in het cahier Examencommissie.

Deze vier maatregelen zijn alle gericht op het verhogen van de kwaliteit van toetsen en beoordelen door vreemde ogen te betrekken en landelijke standaarden af te spreken.

De uitvoering van bovenstaande afspraken kan enerzijds tijdswinst opleveren: het gezamenlijk ontwikkelen van toetsen, landelijke protocol en extern lid examencommissie. Aan de andere kant betekent het ook een andere inspanning: bij gezamenlijk toetsontwikkeling is bijvoorbeeld meer tijd nodig voor onderlinge afstemming. De uitdaging is om de uitvoering van bovenstaande afspraken goed in te passen in het takenpakket van docententeam. Dat kan betekenen dat er taakspecialisatie gaat optreden.

Een andere manier om tijdswinst te genereren is de inzet van ICT. Geautomatiseerde beoordeling en feedback van schriftelijke opdrachten kan een tijdswinst van 30% opleveren. Het ontwikkelen van een databank met items levert, na investering in de ontwikkeling, een grote tijdwinst op in toetsafname en –beoordeling.

 

Naast verschuiving binnen de tijdsbesteding die aan toetsen en beoordelen wordt besteed kan ook gedacht worden aan verschuiving van tijdsbesteding aan andere aspecten van het opleidingsproces. De inmiddels beschikbaar digitale middelen bieden hiervoor mogelijkheden:

Gebruik maken van elders ontwikkeld onderwijsmateriaal, bijvoorbeeld door het inzetten van open course ware of mooc’s (massive open online courses).

Eigen onderwijsactiviteiten digitaliseren, bijvoorbeeld het opnemen van flitscollege’s.

Optimaal gebruik maken van social media waarmee studenten elkaar helpen met vragen en antwoorden.

Optimaal inzetten van peer assessment bij formatieve toetsen.



Laatst gewijzigd: 11 april 2017