Aanmelden

Toetsen en studiesucces

Toetsen heeft een grote impact op het leren van studenten. Wat, wanneer en hoe getoetst wordt bepaalt in grote mate hoe studenten aan de slag gaan. In het hoger onderwijs is de laatste jaren veel in gang gezet op toetsgebied. Dit is samen te vatten in twee invalshoeken:
 
1 De rol van toetsen en beoordelen in studiesucces en studierendement. Uitgangspunt is dat studiegedrag van studenten in grote mate wordt bepaald door de inrichting van het toetsprogramma. Door het treffen van samenhangende maatregelen ten aanzien van programmering, aantal herkansingen, compensatie, e.d. kan het studiegedrag worden gestuurd (toetsgestuurd leren).
 
2  Het verhogen van de leeropbrengst voor de individuele student.
Uitgangspunt hierbij is dat een goede inrichting van het toetsprogramma kan bijdragen aan een hogere leeropbrengst voor de student. Het gaat om het vergroten de leervaardigheden van de student en toenemende zelfsturing. De leerfunctie van toetsen wordt met name vergroot door het inzetten van tussentijdse toetsen, voortgangstoetsen en gerichte en directe feedback.
Beide invalshoeken hebben tot doel studenten beter te laten presteren. Er komt de laatste jaren steeds meer evidentie beschikbaar over wat wel en niet werkt in het hoger onderwijs.
 
Binnen de HvA zijn beide invalshoeken van groot belang. In de onderwijs- en toetsvisie ligt het accent op het stimuleren van leren en de professionele ontwikkeling van de student. In de prestatieafspraken hebben we duidelijke ambities neergelegd ten aanzien van studierendement.
 
Het toetsprogramma, de curriculumorganisatie, de herkansingsregeling, de compensatiemogelijkheden en de methode van cesuurbepaling hebben grote invloed op de studeerbaarheid van een opleiding. Maatregelen op dit gebied staan niet los van elkaar en hebben het meeste effect als ze in samenhang worden genomen (Berkel e.a., Studiesucces bevorderen). In de volgende paragrafen komen deze onderwerpen daarom zoveel mogelijk in samenhang aan de orde.
 
In een onderwijsperiode kunnen toetsen op verschillende momenten en in verschillende frequenties worden afgenomen. Toetsen kunnen meetellen voor het cijfer (summatief) of alleen dienen ter ondersteuning van het leren (formatief). Hierna volgen enkele voorbeelden van mogelijke uitwerkingen voor de eigen onderwijspraktijk:
 
 
Voorbeelden
Negen lesweken met een of meer formatief ingezette toetsen gedurende het blok en een tentamen in week tien
De student werkt aan een opdracht, waarbij iedere week de voortgang wordt besproken. Het resultaat van de opdracht vormt het tentamen en wordt in week 10 beoordeeld
Tien onderwijsweken met iedere week een opdracht, die meetelt voor het eindcijfer. De opdrachten vormen samen het tentamen
Tien onderwijsweken met regelmatig een opdracht. De student kan met de opdrachten bonuspunten verdienen voor het afsluitende tentamen
Tien weken met iedere drie weken een summatieve toets over een derde deel van de leerstof.  Alle toetsen wegen even zwaar en vormen samen het tentamen
Tien weken met iedere drie weken een summatieve deeltentamen over de stof van de gehele voorafgaande periode. Weging van de deeltentamens is bijvoorbeeld 20%-30%-50% en vormen samen het tentamen
Tabel 1.  Mogelijke inbeddingen van toetsen binnen een blok
 
 
Het aantal en de spreiding van de (deel)tentamens wordt naast het toetsprogramma bepaald door de organisatie van het curriculum. Het studiejaar is bij de HvA ingedeeld in vier blokken van 10 weken.
 
Het aantal gelijktijdige onderwijseenheden in het programma is bij de HvA beperkt tot maximaal vijf. Dat betekent dat kleine onderwijseenheden die enkele punten bevatten opgenomen worden in grotere eenheden (of clusters van eenheden). Deze zijn overzichtelijk voor studenten en maken het mogelijk het aantal (deel)tentamens te beperken en de toetsing efficiënter en effectiever te organiseren.
 
Uit onderzoek (Berg & Hofman, 2005) blijkt dat programmering van één of enkele onderwijseenheden voor de studievoortgang van studenten beter is dan parallelle programmering van meerdere onderwijsonderdelen in een blok of semester. In dit laatste geval is er sprake van concurrentie tussen de toetsing van de verschillende onderdelen.
 
Bij parallelle programmering met tentamens aan het einde van het blok doen studenten de eerste weken weinig en komen aan het eind van de periode in tijdnood, omdat ze onderschatten hoeveel tijd het kost om een tentamen voor te bereiden. Als er meerdere tentamens tegelijkertijd zijn, zullen sommige tentamens worden uitgesteld tot de herkansingen en andere tentamens onvoldoende voorbereid. Daardoor halen studenten meer onvoldoendes dan nodig is en lopen door de herkansingen studievertraging op.
 
Programmering van een klein aantal grotere onderwijseenheden en gespreide toetsing leidt tot gelijkmatige studiebelasting over de gehele periode. De positieve effecten daarvan zijn:
 
·          De student kan zich concentreren op één (deel)tentamen tegelijkertijd.
·          Hij kan studie en andere activiteiten beter in balans houden.
·          Hij zal meer tijd aan zijn studie besteden en daardoor een hoger eindniveau halen.
·          Binnen de grote onderwijseenheden kan gecompenseerd worden
    Regelmatig en gespreid toetsen heeft, zo blijkt uit onderzoek, nog een aantal andere positieve effecten op studiesucces (Black & William, 2003; Chickering & Gamson, 1987; Harlen & Crick, 2003; Hattie & Timperley, 2007; Nicols & Macfarlane-Dick, 2006; Roediger, 2006; Segers, 2004; Droop,e a., 2013):
     
    ·         Door regelmatig te toetsen krijgt de docent snel zicht op de ontwikkeling van kennis en vaardigheden van studenten en kan hij het onderwijs beter op hen afstemmen.
    ·         In de propedeuse wordt beter aangesloten op het voorafgaande onderwijs (voor de meeste studenten havo of mbo), waar studenten gewend zijn aan korte spanningsbogen en kleine(re) hoeveelheden leerstof.
    ·         Tussentijds toetsen heeft een positief effect op de slagingspercentages van het tentamen.
    ·         Door de student regelmatig te beoordelen en feedback te geven op proces en resultaat ontwikkelt de student het vermogen om zijn eigen leerproces te sturen (metacognitie).
    ·         Als de beoordeling van een studieonderdeel is gebaseerd op meerdere deeltentamens ontstaat  een meer betrouwbaar en valide beeld van de ontwikkeling en het niveau van de student.
    ·         Door de tentamens te integreren in het leren en onderwijzen worden de negatieve effecten van toetsangst op studieprestaties vermeden. Deze kan optreden als tentamens zeer zwaarwegende gevolgen hebben voor studenten (zgn. high stake assessments). 
    ·         Docenten en studenten leren elkaar goed kennen. Duidelijk en hoge verwachtingen hebben en beoordelen zien als manier om zich te ontwikkelen, maken deel uit van een positief leerklimaat.

    Herkansen 

    Wijnen (1992) adviseert om de herkansing binnen drie weken na de toets het tentamen te plannen. Snelle herkansing leidt echter tot een toename van het aantal studenten dat zich onvoldoende voorbereid op de eerste kans. Daarvoor zijn verschillende redenen:
     
    ·         Studenten zien de eerste kans als een feedbackmoment. Ze leveren bijvoorbeeld een gedeeltelijk gereed product in, waarna ze op basis van de feedback het product verbeteren en bij de herkansing inleveren.
    ·         De student moet ander onderwijs volgen of andere tentamens voorbereiden en besluit om bij de eerste kans een gokje te wagen.
    ·         De student heeft het te druk met andere (studie)activiteiten en besluit om de eerst kans te laten lopen en het tentamen te doen bij de herkansing.
     
    Vooral bij een toetsprogramma met veel parallelle studieonderdelen en eindtoetsen leidt dit ertoe dat veel studenten bij de eerste kans niet op komen dagen of een onvoldoende halen en voor (te) veel studenten een herkansing moet worden georganiseerd. Vanuit het oogpunt van studievoortgang, de belasting van docenten en onderwijslogistiek is dit een ongewenste situatie.
     
    Om studenten te motiveren om zich maximaal voor te bereiden voor de eerste kans en hun (deel)tentamens in één keer te halen zijn, bij een aantal instellingen in het hoger onderwijs, de laatste jaren andere regels voor herkansing ingevoerd. Een aantal voorbeelden van deze herkansingsregels zijn:
     
    ·          Voorkom concurrentie met andere tentamens en onderwijs en plan de herkansing buiten onderwijsperiodes (bijvoorbeeld in vakanties).
    ·          Geef een beperkt aantal herkansingsmogelijkheden.
    ·          Laat studenten het recht op herkansing verdienen door de eis te stellen dat voor de eerste toets minimaal een 4.0 of 5.0 gehaald moet worden.
    ·          Verander de herkansing in een ‘reparatietoets’. De student hoeft dan niet de hele stof opnieuw te bestuderen of de hele opdracht opnieuw te doen, maar krijgt de kans om alleen die onderdelen die onvoldoende zijn te verbeteren.
    ·          De student kan bij de herkansing maximaal een 6,0 halen.
    ·          Alleen studenten die bij de werkcolleges aanwezig zijn geweest hebben recht op een herkansing.
     
    Deze regels zijn volgens ons huidige format OER (nog) niet mogelijk. Het toetsbeleid van de HvA biedt wel de mogelijkheid voor experimenten op dit gebied. Zie voor de procedure het Toetsbeleid HvA.

    Compenseren

    Binnen de HvA wordt een conjunctieve regeling toegepast, d.w.z. een student moet voor alle tentamens slagen om het propedeuse- of bachelorexamen te halen. Deze regeling heeft als gevolg dat de examinator bij de beslissing voldoende/onvoldoende niet alleen een beslissing neemt over de mate waarin de student de leerdoelen heeft behaald, maar ook over de geschiktheid van de student.
     
    Verder kan de betrouwbaarheid van een enkele tentamen onvoldoende zijn en is er een reële kans dat een deel van de studenten daardoor onterecht een onvoldoende of voldoende krijgt. Onterechte onvoldoendes zijn voor de maatschappij (minder geslaagden, meer kosten voor onderwijs), de student (demotivatie, onnodige vertraging en hogere studiekosten) en voor de opleiding (te laag rendement, hogere kosten) niet gewenst. Ontrechte voldoendes zijn eveneens ongewenst omdat hiermee het niveau van de afgestudeerden in twijfel kan worden getrokken.
     
    Compensatie betekent dat de student een onvoldoende voor een (deel)tentamen kan compenseren met een hoog cijfer op een andere (deel)tentamen. De achterliggende gedachte is dat de geschiktheid van een student alleen op basis van meerdere toetsen op een valide en betrouwbare wijze is vast te stellen. Een onvoldoende voor een tentamen betekent voor zowel de docent als de student niet automatisch dat de student is gezakt voor het examen.
     
    De compensatieregel breekt met de gedachte dat een student voor alle studieonderdelen een voldoende moet halen. Sommige docenten zijn van mening dat de door hen onderwezen kennis of vaardigheden onmisbaar zijn voor de adequate uitoefening van het beroep of dat compensatie leidt tot niveauverlaging. Tegen deze opvatting zijn een aantal argumenten in te brengen:
     
    ·         Bij veel tentamens wordt al gecompenseerd. Weinig kennis over één onderwerp kan de student binnen de toets/tentamen compenseren met veel kennis over een ander onderwerp. Bij meerdere deeltentamens in een onderwijseenheid is dat niet anders.
    ·         De student kan door onvolkomenheden in het onderwijs onterecht een onvoldoende halen.
    ·         Ook in het beroep compenseren professionals hun zwakke punten met hun sterke punten of kiezen voor werk waar ze hun sterke kanten kunnen inzetten.
    ·         Er is geen sterke  correlatie tussen één vak of studieonderdeel met de kwaliteit van de latere beroepsuitoefening.
    ·         Als een student echt ongeschikt is zal hij niet alleen bij één tentamen, maar bij meerdere tentamens een onvoldoende halen.
     
    In de praktijk blijkt het toepassen van een compensatieregeling te leiden tot een snellere studievoortgang (Arnold & Van den Brink, 2009; Cohen-Schotanus, 1996;  Jansen, 1996; Van den Berg & Hofman, 2005). Een van de resultaten van het onderzoek van Cohen-Schotanus (Cohen-Schotanus, 2012) is dat er geen standaard patroon is waarbij ‘moeilijke’ vakken worden gecompenseerd door ‘makkelijke’ vakken, maar dat alle tentamens weleens worden gecompenseerd en dat er een variatie is per jaar.
     
    Uit het onderzoek van Arnold & Van den Brink (Arnold & Van den Brink, 2009) komt naar voren dat de invoering van een compensatieregeling in het eerste jaar niet leidt tot slechtere prestaties in het tweede jaar. Zij concluderen dat compensatie niet leidt tot niveauverlaging, dus niet tot onterechte voldoendes.
     
    Laatst gewijzigd: 25 augustus 2014